6.3 Modale werkwoorden

Wat zijn de modale werkwoorden en wat doen ze?

Kijk deze video uit mijn Beginnerscursus voor de basis over de modale werkwoorden.

Onder de video vind je nog meer uitleg over deze werkwoorden.

Modale werkwoorden zijn hulpwerkwoorden (auxiliary verbs)

Ze veranderen de betekenis van het hoofdwerkwoord in de zin.

Je gebruikt ze om iets te zeggen over:

  • een mogelijkheid (= option / possibility: kunnen)
  • toestemming (= permission: mogen)
  • verplichting (= obligation: moeten)
  • wil/wens (= wish / desire: willen)
  • de toekomst / een suggestie / advies (zullen, in sommige contexten)

Grammaticaal:

Ze staan meestal op de tweede plaats in de zin, en het hoofdwerkwoord komt op het einde in de infinitief (zonder ‘te’!).

VRAAG:

‘Wat is het verschil tussen ‘kunnen’ en ‘mogen’?’

  • Kunnen = you’re capable to do something, it’s possible.

Je kunt iets doen = het is mogelijk / je weet hoe

  • Mogen = You have the permission to do something.

Je mag iets doen = het is toegestaan.

Voorbeelden met ‘kunnen’:

  • Ik kan goed zwemmen.
  • Kun je mij helpen met de wasmachine?
  • We kunnen morgen naar het strand gaan als het mooi weer is.
  • Hij kan nog niet goed Nederlands spreken.
  • Jullie kunnen nu pauze nemen.

Voorbeelden met ‘mogen’:

  • Je mag hier niet parkeren.
  • Mogen we binnenkomen?
  • Kinderen mogen niet roken.
  • Ik mag van mijn baas thuiswerken.
  • Mag ik een koekje nemen?